
Meer dan een toets: Cito maakt de ontwikkeling van leerlingen zichtbaar
10-09-2026 | Nieuws Leerling in beeld van Cito wordt gebruikt door het overgrote deel van de scholen in het primair onderwijs en een groeiend aantal in het voortgezet onderwijs in Nederland.Maar Roel Bakker (directeur bij Cito) gaat het niet om die aantallen. Het gaat hem om wat het bijdraagt aan het onderwijs, voor leraren en leerlingen.
Roel, wat is het grote doel van Leerling in beeld?
“Leerling in beeld maakt inzichtelijk en tastbaar wat leraren vaak al vermoeden of zien. Maar ook wat ze soms niet zien. Het geeft inzichten die leraren helpen om gerichter te handelen, zodat zij elke leerling een eerlijke kans kunnen geven om te groeien. Leerling in beeld is de verzamelnaam voor onze meetinstrumenten en rapportages die daaraan bijdragen. Elk onderdeel voegt iets toe aan dat totaalplaatje.
Wat we uiteindelijk willen, is dat we leraren helpen met een helder en zo compleet mogelijk beeld van de ontwikkeling van hun leerlingen. Niet alleen inzicht geven in de ontwikkeling van kennis en cognitieve basisvaardigheden, maar bijvoorbeeld ook in de ontwikkeling van sociaal-emotioneel welzijn of motoriek. Want elk kind heeft een eigen verhaal, een eigen tempo, eigen talenten en een eigen persoonlijkheid.
Wie alleen de verplichte onderdelen gebruikt, krijgt een smaller beeld van leerlingen. Juist bredere informatie helpt leraren om beter te zien wat een leerling nodig heeft. En wat een passende vervolgstap is.”
Wanneer levert Leerling in beeld iets op wat een leraar verrast?
“Leraren in het PO worden zelden compleet verrast. Ze kennen hun leerlingen natuurlijk goed. In het VO is dat ingewikkelder gezien het grote aantal leerlingen dat leraren bedienen. Maar soms is het moeilijk om wat leraren zien of vermoeden echt goed te duiden. Leerling in beeld helpt daarbij. Bovendien is het fijn om een onafhankelijk instrument in te zetten om te checken of jouw beeld daadwerkelijk klopt. De verschillen tussen wat je denkt te zien en wat de data tonen: daar begint het goede gesprek.”
Wanneer mag een leraar jouw data naast zich neerleggen?
“Dat mogen ze natuurlijk altijd. Want wij kunnen heel goed meten en duiden, maar zijn geen waarheidsmachine. Als leraren kinderen anders zien dan de data uitwijzen, dan is dat slechts een signaal om naar te luisteren. Onze data komen voort uit verschillende momentopnames; een leraar kent de context. Zij hebben de regie over het onderwijsleerproces. Als onze uitkomst wrijving oplevert, kan dat leiden tot nuttige gesprekken en reflecties.”
Basisscholen zijn verplicht hun leerlingen te volgen met een leerlingvolgsysteem. Hoe werkt dat in de praktijk uit?
“Dat verschilt enorm. Sommige scholen doen het minimale, omdat het nu eenmaal moet. Het is onze ambitie dat alle scholen Leerling in beeld gebruiken omdat leraren én leerlingen er echt iets aan hebben in de onderwijspraktijk, niet omdat het moet. Dat het zoveel inzicht geeft dat je niet zonder wilt. Dát is de lat die we onszelf opleggen.”
Hoe meet je sociaal-emotioneel functioneren of motoriek eigenlijk?
“Dat gebeurt vooral via observatie-instrumenten. Dat is minder waterdicht dan bijvoorbeeld een meting die taalvaardigheid vastlegt, maar zeker niet minder waardevol. Het vraagt wel oefening van leraren. Neem bijvoorbeeld de fijne motoriek bij jonge kinderen. Een kind dat druk bezig is en uiteindelijk acht knoopjes maakt in een klein stukje veter versus een kind dat in een keer netjes een strik legt. Wat kun je hieruit afleiden? Wie heeft het beter gedaan? De meeste mensen zullen zeggen: die met de strik. Maar wat wil je weten? Of een kind heeft leren strikken of hoe de fijne motoriek is ontwikkeld? Als dat laatste het geval is, hoe kijk je dan naar die twee kinderen?”
Aan het eind van de basisschool doen leerlingen de doorstroomtoets, waarbij alleen gekeken wordt naar taal en rekenen. Wat vind je daarvan?
“Het belang dat de afgelopen jaren aan de doorstroomtoets is gehecht is te groot; het resultaat van een smalle toets is te bepalend geworden. De verplichte heroverweging van het voorlopig advies – zodra de toets hoger uitvalt – helpt daar niet bij. Het is het poortje naar het voortgezet onderwijs. Daar komt bij dat de inspectie de uitslag van de doorstroomtoets mede gebruikt om de kwaliteit van het onderwijs in een school te beoordelen. Dat geeft vaak verkeerde prikkels aan de wijze waarop er met de – op zichzelf waardevolle toets – wordt omgegaan. Wij geloven dat scholen, leraren, ouders en leerlingen meer hebben aan een breder dossier: waar een kind sterk in is, hoe het is met motivatie en ambities en waar ruimte is om te groeien.”
Waarom biedt Cito ook papieren toetsen aan, in een tijd dat alles digitaliseert?
“Papier is populairder geworden de laatste tijd. Scholen kiezen er bewust voor. Ze zijn van mening dat papier rust geeft; er zijn minder toeters en bellen die voor afleiding zorgen. Je bent minder afhankelijk van de infrastructuur die soms niet optimaal werkt. En daar komt bij dat niet iedereen digitaal even vaardig is. Wij bieden beide mogelijkheden aan. Papieren toetsen en digitale toetsen hebben hun eigen kenmerken, maar kunnen allebei betrouwbaar en valide meten. Snel data verzamelen, analyseren en rapporteren is uiteraard wel eenvoudiger met digitale toetsen.”
Tot slot, wordt er niet te veel getoetst in het onderwijs?
“In het voortgezet onderwijs is de toetsdruk reëel, in het basisonderwijs valt het vaak mee. Ik vind dat we genuanceerd naar de inzet van toetsen moeten kijken. Als toetsen uitsluitend gebruikt worden als selectiemiddel bij bepalende momenten of als stok achter de deur voor leerlingen om te gaan leren, gaat er iets mis. Want toetsen kunnen ook kleine meetmomenten zijn, waaruit blijkt wat je hebt geleerd en wat je nog moet leren. Als je die momenten laagdrempelig inbouwt in de dagelijkse onderwijspraktijk, geven ze zinvolle informatie voor leraren en leerlingen om de volgende stap te bepalen.”

