Direct naar inhoud

Hoe de doorstroomtoets helpt bij eerlijke kansen

Cito vindt het belangrijk dat er een toets is die scholen ondersteunt bij de overgang van leerlingen naar het voortgezet onderwijs. Er zijn op dit moment zes aanbieders van doorstroomtoetsen in het Nederlandse primair onderwijs. Cito is betrokken bij twee doorstroomtoetsen: de Leerling in beeld-doorstroomtoets en de overheidsdoorstroomtoets DOE.  

Wat is de doorstroomtoets?  

De doorstroomtoets richt zich op taal en rekenen, de vakken die het sterkst voorspellen hoe leerlingen straks presteren in het voortgezet onderwijs. Het doel: betrouwbare en duidelijke informatie bieden voor leerkrachten, leerlingen en ouders.  

De doorstroomtoets gebruikt de referentieniveaus (1F, 1S, 2F) als maatstaf; dat zijn landelijke afspraken over wat leerlingen aan het eind van de basisschool moeten kunnen op het gebied van taal en rekenen. Elke leerling wordt beoordeeld op de eigen vaardigheden ten opzichte van die inhoudelijke lat. De toets vergelijkt leerlingen dus niet met elkaar.  

De doorstroomtoets is geen eindpunt, maar een extra puzzelstukje naast alle observaties en gegevens die een school in acht jaar heeft verzameld. Het schooladvies is leidend; de doorstroomtoets helpt om het advies te onderbouwen of waar nodig bij te stellen. Zo draagt de doorstroomtoets bij aan eerlijke kansen.

Discussie rondom de doorstroomtoets  

Rond de toets speelt regelmatig discussie. Sommigen vinden dat er te veel gewicht wordt toegekend aan één toetsmoment, of dat leerlingen al jong geselecteerd worden. Anderen vragen zich af of de resultaten wel goed te vergelijken zijn.  

In het debat wordt geregeld gepleit voor meer uniformiteit in de toetsafname. Wij begrijpen die gedachte; bij één doorstroomtoets zijn de problemen over vergelijkbaarheid van de baan en krijgt iedere leerling dezelfde toets. Maar: de doorstroomtoets is bedoeld om de leerkracht te helpen bij het maken van een passende keuze voor het vervolgonderwijs. Dan moet zo’n toets ook aansluiten op de onderwijsvisie van de school, de informatiebehoefte van de leerkracht en de ervaring van de leerling. 

In dit blog pleit Saskia Wools, voorzitter Raad van bestuur van Cito, dan ook om niet te snel te kiezen voor een voor de hand liggende oplossing (één doorstroomtoets), maar voor het nemen van een tussenstap. Hierdoor geven we het huidige doorstroomtoetsstelsel ook wat meer tijd om met een minder rigoureuze oplossing, de ervaren problemen te verkleinen.

Lees het blog: Eén doorstroomtoets? Geen goed idee.

We zoomen kort in op enkele vragen met antwoorden:

Bij welke doorstroomtoets is Cito betrokken?

Cito is betrokken bij twee doorstroomtoetsen.

Binnen Cito BV voeren we marktactiviteiten uit. Passend bij het volgsysteem Leerling in beeld van Cito wordt de Leerling in beeld - doorstroomtoets aangeboden.

Binnen Stichting Cito ontwikkelen we namens de overheid alle wettelijke toetsen en examens voor het basis-, voortgezet en middelbaar beroepsonderwijs. Voor primair onderwijs is dat dus de overheidsdoorstroomtoets DOE. Het is een verzoek van de Tweede Kamer om naast het aanbod doorstroomtoetsen van private partijen, ook een doorstroomtoets namens de overheid aan te bieden.

De kennis die we opbouwen binnen de stichting is beschikbaar voor onderwijs en markt. Alle toetsaanbieders, overheid en andere aanbieders, kunnen onder gelijke condities terecht bij Stichting Cito voor psychometrische kennis en expertise. De activiteiten van Cito BV en Stichting Cito zijn van elkaar gescheiden, zowel juridisch en organisatorisch, als in financiële en operationele zin. Collega’s van Cito BV en van Stichting Cito werken fysiek gescheiden van elkaar. Er zijn geen medewerkers die doorstroomtoets-taken verrichten voor zowel Cito BV als voor Stichting Cito. Lees hier meer over onze hybride organisatie.

Waarin de Leerling in beeld - doorstroomtoets en DOE van elkaar verschillen hebben we voor je op een rijtje gezet op deze webpagina.

Wat is het doel van de doorstroomtoets?

Het belangrijkste doel van de doorstroomtoets is advies geven aan de leerkracht over doorstroom, naar een richting in het voortgezet onderwijs die op dat moment het beste aansluit.
De doorstroomtoets is niet het eindpunt in de ontwikkeling van een leerling. Want in het vervolgonderwijs ontwikkelen leerlingen zich verder. Ook meet de toets niet alles. Dat kan ook niet. Dat kan geen enkele toets.
Het is juist de combinatie van het oordeel van de leerkracht en het toetsresultaat, die leidt tot een zo goed mogelijk advies over het best passende vervolgonderwijs.

Waarom wordt er niet alleen vertrouwd op de professionaliteit van de leerkracht?

We komen niet aan de professionaliteit van de leerkracht. De toetsresultaten ondersteunen de leerkracht bij het bepalen van het schooladvies. De rol van de leerkracht vinden we heel belangrijk. Want toetsresultaten moeten altijd in een brede context worden gezien en door mensen worden geïnterpreteerd. Zouden we geen toetsen meer afnemen, dan kan het oordeel van de leerkracht te subjectief zijn. En zou de focus alleen liggen op de toets en het behalen van een zo hoog mogelijke score, dan wordt dat oordeel enorm belangrijk. Het is dan ook niet het een of het ander, maar de combinatie van toetsresultaat en oordeel van de leerkracht die bijdraagt aan kansengelijkheid.

Waarom kijkt de doorstroomtoets alleen naar taal en rekenen?

Rekenen, taalverzorging en lezen zijn verplichte onderdelen in een doorstroomtoets. Dat staat beschreven in de wet. Deze cognitieve vaardigheden zijn goed objectief te meten. Onafhankelijk van de leerkracht. De toetsresultaten geven een goede voorspelling voor het verdere verloop van de onderwijsloopbaan van de leerling. Ook wordt op basis van toelatings- en doorstroomonderzoek gekeken of de toetsadviezen overeenkomen met de niveaus waar leerlingen terecht zijn gekomen na 3 jaar middelbare school.

Hoe is het nu geregeld met de vergelijkbaarheid en betrouwbaarheid van doorstroomtoetsen?
  • Eén proces en gelijke wettelijke eisen
    Voordat een doorstroomtoets mag worden gemaakt op school, moet de toets officieel worden toegelaten tot het Nederlandse onderwijsstelsel. Daar gaat een zorgvuldige en uitgebreide kwaliteitsbeoordeling aan vooraf (meer hierover lees je op deze website.)

Alle aanbieders van doorstroomtoetsen volgen hetzelfde proces en moeten voldoen aan dezelfde wettelijke eisen. Hierdoor is de kwaliteit van alle doorstroomtoetsen vergelijkbaar.

  • Eén normering
    Om ervoor te zorgen dat leerlingen voor dezelfde toetsprestaties ook hetzelfde toetsadvies krijgen, ongeacht de doorstroomtoets die ze maken, worden alle doorstroomtoetsen op eenzelfde manier genormeerd. Deze landelijke normering draagt bij aan de vergelijkbaarheid en de betrouwbaarheid van toetsresultaten. Bij het normeren wordt er niet gekeken naar de voorlopige schooladviezen. Daardoor zijn toetsadviezen echt een objectief gegeven naast het schooladvies.

    Normeren gebeurt op basis van zogenoemde ankervragen. Ankervragen zijn toetsvragen die in alle doorstroomtoetsen zijn opgenomen. Op basis van dit gezamenlijke anker worden de grenzen voor referentieniveaus (wat een leerling weet en kan) en de verschillende toetsadviezen (van pro/vmbo tot vwo) bepaald. Zo leiden bij alle doorstroomtoetsen dezelfde prestaties tot dezelfde resultaten. De ankervragen worden samen met de overige toetsvragen gebruikt om de vaardigheid van een leerling te bepalen.
Wordt de doorstroomtoets relatief genormeerd?

Nee. De doorstroomtoets wordt niet relatief genormeerd. 

Bij relatieve normering hangt je resultaat af van hoe anderen het doen. Vergelijk het met een hardloopwedstrijd: je plek (1e, 2e, 3e) hangt af van hoe snel de rest loopt. Zelfs als je zelf heel snel bent, kun je lager eindigen als anderen nóg sneller zijn. 

Bij absolute normering werkt het anders: dan gaat het om vaste maatstaven. Stel dat de norm is dat iedereen die de 100 meter onder de 15 seconden loopt een diploma haalt. Dan maakt het niet uit of de rest sneller of langzamer is; je wordt alleen beoordeeld op je eigen tijd. 

De doorstroomtoets gebruikt zo’n vaste maatstaf. Het toetsresultaat van een leerling en het bijbehorende toetsadvies hangen alleen af van wat de leerling zelf laat zien, niet van de prestaties van anderen. 

Staat de verdeling van toetsadviezen over schoolniveaus heen niet vast?

Nee, er is geen vaste verdeling van adviezen per jaar. De verdeling van toetsadviezen kan van jaar tot jaar een beetje verschuiven, maar die verschuiving is klein. Dat komt doordat de groep leerlingen die de doorstroomtoets maakt elk jaar grotendeels vergelijkbaar is. Het is dus niet zo dat er in het ene jaar ineens veel vaardigere of juist veel minder vaardige leerlingen deelnemen dan in een ander jaar. 

Hoe wordt bepaald welk toetsadvies een leerling krijgt?

De antwoorden die een leerling op de toets geeft, worden nagekeken en vertaald naar een score op een meetlat (de vaardigheidsschaal).  

Die meetlat is ingedeeld in adviescategorieën (bijvoorbeeld vmbo-t, havo, vwo): een reeks scores hoort bij een bepaald toetsadvies. De grenzen tussen die categorieën zijn niet willekeurig, maar vastgesteld op basis van onderzoek naar toelating en doorstroom: er is gekeken waar leerlingen met een bepaalde score uiteindelijk terechtkwamen in het voortgezet onderwijs, drie jaar na groep 8. Per scorepunt is bepaald in welk onderwijstype de meeste leerlingen met die score uitkwamen. Op die manier worden de scores gekoppeld aan het meest waarschijnlijke vervolgonderwijs. 

Met statistische technieken zorgen we ervoor dat deze grenzen door de jaren heen stabiel blijven. Daardoor leidt een vergelijkbare prestatie in verschillende jaren tot hetzelfde toetsadvies. 

Is de doorstroomtoets zo ontworpen dat er altijd kinderen zullen zijn die een lage score halen, zelfs als alle kinderen de leerdoelen beheersen?

Nee, de toets is niet zo ontworpen. Als alle leerlingen in Nederland heel goed zouden worden in taal en rekenen, zouden ze allemaal een hoge score behalen. 

Je kunt het vergelijken met een wandeltocht. Het parcours is voor iedereen hetzelfde, maar sommige leerlingen lopen sneller en andere langzamer. Het verschil in eindtijden komt door de lopers, niet door het parcours. Zo werkt het ook bij de doorstroomtoets: verschillen in scores komen voort uit de verschillen in vaardigheden tussen leerlingen, niet uit de toets zelf. 

Als een leerling veel oefent of bijles krijgt, kan de score dan hoger worden?

Ja, dat is mogelijk. Als een leerling door te oefenen nieuwe vaardigheden leert, zal de score waarschijnlijk hoger uitvallen. Dat is juist gewenst: de toets meet wat een leerling kan laten zien in taal en rekenen. 

Wat we wél willen voorkomen, is dat leerlingen trucjes leren die de score kunstmatig verhogen, zonder dat ze daadwerkelijk vaardiger zijn geworden. Daarom is de toets zo ontworpen dat dit soort trucjes zo min mogelijk effect hebben. 

Wat klopt wel en wat klopt niet? (Animatie)

Er wordt veel gepraat over de doorstroomtoets. Omdat we merken dat niet altijd alles klopt wat er wordt verteld, hebben we deze animatie gemaakt. Hierin lichten we drie stellingen toe:

  1. De doorstroomtoets meet niet alles wat ik kan – dat klopt
  2. Voor mijn toetsadvies maakt het uit hoe mijn vriendjes de doorstroomtoets hebben gemaakt – dat klopt niet
  3. Er is een vast aantal toetsadviezen voor elke onderwijsrichting. Dus ik moet extra m’n best doen – dat klopt niet
Animatie
Eerlijke kansen met de doorstroomtoets?

De doorstroomtoets geeft álle leerlingen de kans om te laten zien wat ze kunnen, los van vooroordelen of context. Sinds de invoering in 2015 krijgen schooladviezen regelmatig een positieve bijstelling als de toets laat zien dat een leerling meer aankan. Toen er in 2020 door corona geen toets was, bleven die bijstellingen uit. Vooral leerlingen met een lagere sociaal-economische achtergrond of uit minder stedelijke regio’s waren daarvan de dupe (bron: rapport DUO).

De doorstroomtoets:

  • vergelijkt niet leerlingen met elkaar, maar met een vaste landelijke norm voor taal en rekenen;
  • is een aanvulling op het schooladvies, niet de vervanger;
  • kent geen vaste quota: niemand kan de plek van een ander “inpikken”;
  • is zo ontworpen dat alle niveaus eerlijk zichtbaar worden.

Eerlijke kansen ontstaan dus als het schooladvies én de doorstroomtoets samen het hele beeld geven. 

Hoe kijkt Cito naar de ervaren toetsdruk?

We snappen dat een toets spannend kan zijn. Maar de doorstroomtoets is geen eindpunt en ook geen oordeel over de hele schooltijd. Het is één puzzelstukje naast alle informatie die de school al heeft. Het schooladvies blijft leidend. 

Toch zien we dat de rol van de toets soms onbedoeld groter wordt gemaakt, bijvoorbeeld met commerciële bijles en trainingen gericht op een hogere score. Dat vergroot de druk en helpt de leerling niet écht vooruit. Onze toets is zo ontworpen dat dit soort trucjes zo min mogelijk effect hebben. 

Onze boodschap: de doorstroomtoets moet niet méér gewicht krijgen dan ze verdient. Ze geeft waardevolle input, maar de ontwikkeling van een kind gaat verder dan een momentopname. 

Welk beeld laat de Leerling in beeld-doorstroomtoets zien in 2025?

Dit schooljaar is door ruim 83.000 leerlingen op zo’n 3.000 scholen de Leerling in beeld-doorstroomtoets gemaakt. Van deze leerlingen maakten ruim 38 procent de digitale versie. De resultaten van de Leerling in beeld-doorstroomtoets van Cito, zijn over het algemeen in lijn met die van 2024. Wel zien we een verschil bij referentieniveau 1S voor Rekenen. Een verklaring hiervoor kunnen we nog niet aanwijzen en wordt onderzocht.  

Percentage toetsadviezen Leerling in beeld-doorstroomtoets 2024 en 2025:

Toetsadvies

LIB 2024 p

 

LIB 2024 d

 

LIB 2025 p

 

LIB 2025 d

pro/vmbo bb

0,5

2,4

0,8

2,24

vmbo bb/kb

8,7

13,8

9,8

15,09

vmbo kb/gl-tl

17,9

19,3

20,12

23,04

vmbo gl-tl/havo

30,2

29,0

30,17

28,37

havo/vwo

25,2

21,9

23,77

19,97

vwo

17,4

13,7

15,35

11,30

Percentage behaalde referentienieveaus Leerling in beeld-doorstroomtoets 2024 en 2025:

Verplichte onderdelen

LIB 2024 p

 

LIB 2024 d

 

LIB 2025 p

 

LIB 2025 d

LEZEN 1F

99,8

99,1

99,15

97,66

LEZEN 2F

80,4

74,6

79,83

69,90

REKENEN 1F

94,4

89,8

93,84

89,98

REKENEN 1S

56,0

48,8

48,52

41,99

TAAL 1F

97,0

93,0

96,95

94,63

TAAL 2F

60,7

51,3

59,15

51,8

In 2024 bleek dat wat we meten met onze Leerling in beeld-leerlingvolgsysteemtoetsen in vergelijking met de resultaten in de doorstroomtoets 2024, een stabiel beeld opleverde. Net als vorig jaar zullen we ook dit jaar nagaan of de resultaten van de Leerling in beeld-doorstroomtoets aansluiten bij de voorlopige schooladviezen van de Leerling in beeld-lvs toetsen. Daarover later meer.

Welk beeld laat DOE zien in 2025?

DOE is dit schooljaar gemaakt door ruim 1.200 leerlingen op 65 scholen. De resultaten van de overheidsdoorstroomtoets DOE, zijn over het algemeen in lijn met die van 2024.

Percentage toetsadviezen DOE 2024-2025*

Toetsadvies

 

DOE 2024

 

DOE 2025

pro/vmbo bb

1,36

1,52

vmbo bb/kb

18,45

16,29

vmbo kb/gl-tl

24,54

25,00

vmbo gl-tl/havo

27,74

29,83

havo/vwo

17,86

17,90

vwo

10,05

9,47

Percentage behaalde referentienieveaus DOE 2024-2025*

Verplichte onderdelen

 

DOE 2024

 

DOE 2025

LEZEN 1F

98,17

98,01

LEZEN 2F

68,89

70,64

REKENEN 1F

88,47

88,73

REKENEN 1S

37,20

39,39

TAAL 1F

94,91

95,27

TAAL 2F

48,14

48,58

*) Deze percentages zijn berekend o.b.v. alle leerlingen in het reguliere basisonderwijs die DOE hebben gemaakt.

Meer weten over DOE? Ga naar DOE.nl

Medewerker aan telefoon

Kunnen we je helpen?

Stel je vraag via onze kanalen of kijk in de veelgestelde vragen.
Voor scholen: Vergeet niet om het brinnummer bij de hand te hebben en/of in de mail te vermelden, zodat we jouw vraag sneller kunnen behandelen!

Bereikbaar Ma t/m vr 08.30 tot 15.00 uur
Bellen (026) 352 11 11
E-mail klantenservice@cito.nl

Zoeken